De situatie is de volgende. Het betreft een
topfunctionaris van wie vanaf 2019 de bezoldiging in drie jaar dient te worden
afgebouwd.
In 2018 heeft de topfunctionaris de keuze gemaakt de
vakantietoeslag jaarlijks in de maand mei uit te betalen. Tot en met 2017 werd
de vakantietoeslag maandelijks uitbetaald. De keuze van de topfunctionaris had
tot gevolg dat de topfunctionaris in 2018 "slechts" over de maanden januari –
mei 2018 vakantietoeslag heeft ontvangen. De vakantietoeslag over de maanden
juni – december 2018 is uitbetaald in mei 2019 en is als reservering opgenomen
in de financiële administratie en jaarrekening 2018.
Concreet is de vraag welk salaris als startsalaris voor de
afbouw van de bezoldiging mag worden gehanteerd. Ik zie twee mogelijkheden:
1. Het salaris met enkel de vijf maanden vakantietoeslag
die daadwerkelijk zijn uitbetaald in 2018.
2. Het salaris inclusief de zeven maanden
vakantietoeslag die toe te rekenen zijn aan 2018, maar zijn uitbetaald in mei
2019.
De redenering is dat de zeven maanden vakantietoeslag die zijn
uitbetaald in 2019 mogen worden toegerekend aan 2018 op grond van artikel 3, lid
2, Uitvoeringsregeling WNT. Dit antwoord impliceert ook dat artikel 11a Beleidsregels WNT niet
van toepassing in dit geval, omdat geen sprake is van een vrijwillige wijziging
van de bezoldiging, maar alleen van het moment van uitbetaling van een
onderdeel van de bezoldiging. Daarnaast is evenmin sprake van het niet te gelde maken van bepaalde
aanspraken op bezoldiging. Alleen het moment waarop de aanspraken te gelde zijn
gemaakt, is gewijzigd.