Forum uitvoering Wet normering topinkomens

Alle categorieen => Ontslag => Topic gestart door: ERH op vrijdag 20 maart 2020, 13:54:10

Titel: Toepassing artikel 2.10 lid 4 WNT
Bericht door: ERH op vrijdag 20 maart 2020, 13:54:10


Geachte
heer, mevrouw,





Graag
zou ik u de volgende vraag voorleggen over hoe om te gaan met de situatie
waarbij een topfunctionaris tot de afgesproken einddatum deels een andere niet
topfunctie gaat vervullen en deels, op basis van een collectieve regeling,
wordt vrijgesteld van werk met behoud van loon.





Concreet
is de situatie als volgt:



De
topfunctionaris was ruim voor 2018 al topfunctionaris. Er wordt in 2019
afgesproken dat de topfunctie wordt neergelegd per 1 januari 2019 en zal
eindigen per 1 september 2022. Per 1 juli 2019 gaat de voormalig
topfunctionaris (aantoonbaar) voor 50% van zijn arbeidsomvang daadwerkelijk een
andere (niet top)functie vervullen. Voor de overige 50% wordt de
topfunctionaris vrijgesteld van werk met behoud van loon. Deze vrijstelling is
op basis van een (op de topfunctionaris van toepassing zijnde) vrijwillige
regeling in een met vakbonden gesloten collectieve regeling.





Op
basis van eerdere berichten van het ministerie geldt de topfunctionaris in casu
vanaf 1 januari 2019 voor de 50% dat hij een andere functie is gaan vervullen
niet langer als topfunctionaris.  

Vraag
is echter hoe omgegaan moet worden met de vrijstelling van werk voor de andere
50% van het dienstverband. De tekst van artikel 2.10 lid 4 WNT doet vermoeden
dat deze non-activiteit niet geldt als uitkering wegens beëindiging van het
dienstverband ex art. 2.10 lid 3 WNT, omdat de non-activiteit voort komt uit
een algemene bepaling van een van toepassing zijnde collectieve regeling die is
overeengekomen met verenigingen van werknemers.





In
de Memorie van Toelichting bij de Evaluatiewet WNT is echter opgenomen dat
artikel 2.10 lid 4 WNT is gebaseerd op artikel 10 Beleidsregels WNT 2016,
waarin non-activiteit gedurende een werk naar werk traject was uitgewerkt.
Hierin was opgenomen dat indien een traject rechtstreeks, dwingend
en eenduidig voortvloeit uit een algemeen verbindend verklaarde
collectieve arbeidsovereenkomst of wettelijk voorschrift, de bezoldiging
gedurende de periode waarop het van werk naar werk-traject betrekking heeft,
voor de toepassing van de wet niet als uitkering wegens het beëindiging van een
dienstverband maar als bezoldiging wordt aangemerkt. In de Memorie van
Toelichting bij de Evaluatiewet WNT is in algemene zin opgenomen dat de eis dat
er sprake moet zijn van rechtstreeks, dwingend en eenduidig voortvloeien uit
een cao/collectieve regeling/wettelijk voorschrift nog altijd geldt voor
artikel 2.10 lid 4 WNT en artikel 4 lid 2 Uitvoeringsregeling WNT.





Kortweg:
dient er voor toepassing van artikel 2.10 lid 4 WNT sprake te zijn van
rechtstreeks, dwingende en eenduidig uit de 'cao' voortvloeiende non-activiteit
en is hier ook sprake van als een topfunctionaris kan kiezen om wel of niet van
een dergelijke 'cao'-bepaling gebruik te maken?





Ik
hoor graag van u.



Titel: Re: Toepassing artikel 2.10 lid 4 WNT
Bericht door: HelpdeskWNT op dinsdag 24 maart 2020, 15:26:47

Het antwoord op uw eerste vraag is ja. Dit volgt uit artikel
4, tweede lid, Uitvoeringsregeling WNT. Daarin is in algemene zin nader bepaald
dat tot de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband in de zin van
de WNT niet wordt gerekend de uitkering wegens beëindiging van het
dienstverband die voortvloeit uit een algemene bepaling van een collectieve
arbeidsovereenkomst of van een van toepassing zijnde collectieve regeling die
is overeengekomen met verenigingen van werknemers of ambtenaren die bevoegd
zijn afspraken te maken over arbeidsvoorwaarden, of uit een wettelijk voorschrift,
doch
slechts voor zover de uitkering rechtstreeks, dwingend en eenduidig daaruit
voortvloeit
. Dit geldt dus ook voor de als uitkering wegens beëindiging
van het dienstverband aangemerkte bezoldiging over een periode waarin de
topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen
taken meer vervult, bedoeld in artikel 2.10, derde lid, WNT én voor de
uitzondering daarop, bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, WNT.



Zie ter zake ook deze Q&A's op de website
topinkomens.nl: https://www.topinkomens.nl/vraag-antwoord/vraag-en-antwoord/valt-een-van-werk-naar-werk-traject-onder-de-normering-van-de-uitkering-wegens-beeindiging-van-het-dienstverband-ontslagvergoeding
en https://www.topinkomens.nl/vraag-antwoord/vraag-en-antwoord/valt-non-activiteit-gedurende-een-bemiddelingsfase-onder-de-normering-van-de-uitkering-wegens-beeindiging-van-het-dienstverband.





Het antwoord op uw tweede
vraag is ja, voor zover de bedoelde keuzemogelijkheid zelf rechtstreeks,
dwingend en eenduidig uit de cao-bepaling voortvloeit. Anders gezegd: het
antwoord is ja, áls werknemers (niet-topfunctionarissen) die onder de cao
vallen of (andere) topfunctionarissen die wel rechtstreeks onder de cao vallen
in plaats van via een schakelbepaling in hun arbeidsovereenkomst, dezelfde
keuzemogelijkheid hebben. Het antwoord op uw tweede vraag is nee, voor zover de
bedoelde keuzemogelijkheid voortvloeit uit een individuele afspraak bij of
krachtens arbeidsovereenkomst.