U doelt in uw vraag op de uitspraak van de Centrale Raad
van Beroep (CRvB) in de zogenoemde Atlant-zaak (ECLI:NL:CRVB:2015:1924). Die
uitspraak betrof een ontslag op grond van artikel 8:8 van de Collectieve
arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) van de sector
Gemeenten, waarbij partijen een in hun ogen passende regeling hebben getroffen
in de zin van artikel 10d:4 CAR/UWO. In de aangehaalde uitspraak heeft de CRvB,
in navolging van eerdere jurisprudentie, geoordeeld dat een eenmalige afkoop
van opgebouwde rechten van een op grond van artikel 1.1, onderdeel i, WNT
toegestane boven- en nawettelijke werkloosheidsuitkering in de praktijk niet
ongebruikelijk is en een afkooppercentage van 30% redelijk is en derhalve
geacht moet worden eveneens te zijn toegestaan op grond van artikel 1.1,
onderdeel i, WNT. Bij de wetsuitleg van de WNT wordt deze lijn gevolgd. Zie ook
deze Q&A op de website: https://www.topinkomens.nl/vraag-antwoord/vraag-en-antwoord/wordt-de-afkoop-van-uitkeringsrechten-tot-de-uitkering-wegens-beeindiging-van-het-dienstverband-ontslagvergoeding-gerekend.
Anders gezegd: afkoop van opgebouwde uitkeringsrechten in
verband met werkloosheid in het kader van de beëindiging van het dienstverband
van een topfunctionaris is voor de WNT toegestaan, voor zover:
Voor de beoordeling van een afspraak over de afkoopwaarde
geldt de volgende wetsuitleg van de WNT.
Indien er in een algemene bepaling van een cao, een
bepaling van een andere met vakbonden overeengekomen collectieve regeling of
een wettelijk voorschrift waarop de werkloosheidsuitkering is gebaseerd zelf
een hoger percentage (hoger dan 30%) voor de afkoop van opgebouwde
uitkeringsrechten is bepaald, dan is dat hogere percentage en de daaruit resulterende
afkoopwaarde (als rechtstreeks, dwingend en eenduidig uit die bepaling
voortvloeiend) toegestaan voor de WNT.
Indien dit echter niet het geval is, maar in de sector of
branche waartoe de WNT-instelling behoort een afkooppercentage van hoger dan 30%
van de opgebouwde uitkeringsrechten aantoonbaar gebruikelijk is, dan mag
voor de WNT worden aangesloten bij wat gebruikelijk is in die sector of
branche. De bewijslast ter zake rust in voorkomend geval op de WNT-instelling.
Indien niet kan worden aangetoond dat een hoger
percentage gebruikelijk is in de betreffende sector of branche, óf indien wordt
afgeweken (naar boven) van wat daar wél (aantoonbaar) gebruikelijk is, dan is
een percentage van meer dan 30% alleen toelaatbaar voor de WNT als daar zwaarwegende
gronden voor kunnen worden aangevoerd op basis van de feiten en omstandigheden
van het concrete geval. Uit de aangehaalde Atlant-uitspraak kan worden afgeleid
dat in de afkoop alleen mogen worden meegenomen de vaste bestanddelen van een
toegestane uitkering wegens beëindiging van het dienstverband. Het is met
andere woorden niet toegestaan om tot een hoger afkooppercentage en een hogere
afkoopwaarde te komen door componenten af te kopen die niet tot de
werkloosheidsuitkering zelf behoren, zoals bijvoorbeeld (in de regel)
compensatie voor gemiste pensioenopbouw. Met het oog op doel en strekking van
de WNT geldt als vuistregel dat hoe verder naar boven wordt afgeweken van de
30%, des te zwaarder de aan te voeren gronden moeten zijn om de afwijking te
kunnen motiveren. Een percentage van bijvoorbeeld 35% zal dan in het algemeen
eerder toelaatbaar geacht kunnen worden dan een percentage van bijvoorbeeld 40
of 45%. Een percentage van meer dan 50% kan echter niet als doelmatige besteding
van publiek geld worden beschouwd en moet derhalve altijd als ongebruikelijk en
dus als niet toelaatbaar voor de WNT worden beschouwd.
Als er geen zwaarwegende
gronden kunnen worden aangevoerd voor een afkooppercentage tussen 30% en 50% van
de opgebouwde uitkeringsrechten, of als het afkooppercentage hoger is dan 50%,
dan geldt het deel van de afkoopsom dat boven die 30% uitgaat als door de WNT
genormeerde uitkering wegens beëindiging van het dienstverband.