Forum uitvoering Wet normering topinkomens

Alle categorieen => Overgangsrecht => Topic gestart door: Diepenbach op donderdag 14 april 2022, 18:55:44

Titel: Overgangsrecht bij vrijwillige verlaging bezoldiging
Bericht door: Diepenbach op donderdag 14 april 2022, 18:55:44

Graag zou ik de volgende
vraag willen voorleggen ten aanzien van het overgangsrecht.



Op een topfunctionaris
met een arbeidsovereenkomst van voor 6 december 2011 is het volgende
overgangsrecht van toepassing:
  1. 2013-2016: eerbiediging van rechten;
  2. 2017-2020: afbouw naar
    WNT-1 norm;
  3. 2021-2022: verdere afbouw naar actuele
    norm.

De topfunctionaris heeft
er twee keer vrijwillig voor gekozen om de bezoldiging extra te verlagen. De
eerste keer in 2015, als gevolg waarvan de topfunctionaris twee jaar eerder dan
wettelijk vereist op de WNT-1-norm kwam, en een tweede keer in 2020 waarbij
de bezoldiging tot EUR 220.000 is verlaagd.



Zonder vrijwillige
verlaging in 2020 geldt op grond van artikel 7.3a WNT het volgende
afbouwschema:

De concrete vraag is nu
of bij een juiste toepassing van het overgangsrecht de maximale bezoldiging
voor 2021 EUR 219.737 bedraagt zoals hierboven is berekend.



Voor deze berekeningswijze
zijn de volgende argumenten aan te voeren.

1) In de beleidsregels (artikel 11 lid 7) is
expliciet verwoord dat vrijwillige wijzigingen in de bezoldiging of de
uitkering wegens beëindiging van het dienstverband die een verlaging inhouden
van door het overgangsrecht gerespecteerde afspraken, geen afbreuk doen aan
de toepasselijkheid van het overgangsrecht. Verder wordt hierin aangegeven dat
vrijwillige verlagingen van (onderdelen van) de bezoldiging of de uitkering
wegens beëindiging van het dienstverband juist worden aangemoedigd. Hieruit
volgt dat de vrijwillige verlaging van de bezoldiging, evenals bij de
vrijwillige verlaging van de bezoldiging in 2015, geen nadelige consequenties
zou mogen hebben op het overgangsrecht en daarmee het afbouwschema van de
topfunctionaris.  

2) In artikel 7.3a WNT lid 2 staat over de afbouw het volgende:

"de bezoldiging wordt in een periode van twee jaar teruggebracht naar het voor
de rechtspersoon of instelling geldende maximum:
i) Met ingang van het
eerste jaar wordt de bezoldiging verlaagd naar het op de dag voorafgaande aan
de inwerkingtreding van de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT voor de rechtspersoon of
instelling geldende maximum.
ii) In het tweede jaar
bedraagt de verlaging de helft van het verschil tussen het op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet verlaging bezoldigingsmaximum
WNT geldende maximum en het geldende maximum."

In deze casus ziet 'het eerste jaar' zoals bedoeld onder i) op 2020 en 'het
tweede jaar' zoals bedoeld onder ii) op 2021. 

Uit ii) blijkt dat er voor 2021 een verlaging geldt van 50% van het
verschil tussen EUR 230.474 (de maximale bezoldiging 2014) en EUR 209.000 (de actuele
norm 2021), zijnde EUR 10.737. De instelling gaat ervan uit dat de verlaging geldt
ten aanzien van het onder i) genoemde bedrag, zijnde de maximale bezoldiging
2014 (EUR 230.474). De vraag is thans echter of dit een juiste toepassing is,
of dat de aldaar berekende verlaging in mindering moet worden gebracht op de
werkelijke bezoldiging (2020). Dat laatste lijkt echter onlogisch aangezien het
WNT-1-maximum de basis vormt voor de berekening van de omvang van de afbouw.



3) Een andere lezing van de regeling zou bovendien niet
     alleen betekenen dat de topfunctionaris ervoor wordt gestraft dat hij
     vrijwillig zijn bezoldiging naar beneden heeft aangepast, maar zou er
     zelfs voor kunnen zorgen dat de topfunctionaris in het 2e
     afbouwjaar onder de werkelijke maximale norm terechtkomt. Als de
     topfunctionaris zijn salaris bijvoorbeeld had verlaagd naar EUR 215.000 in
     2021, dan had hij in 2021 conform deze lezing slechts EUR 215.000 – EUR
     10.737, dus EUR 204.263 mogen verdienen, terwijl de WNT-norm op EUR
     209.000 lag.

De instelling gaat er
dus vanuit dat het bedrag dat op grond van ii) moet worden afgebouwd, in
mindering moet worden gebracht op het bedrag dat de topfunctionaris had mogen
verdienen in 2020, en dat derhalve voor 2021 een bezoldiging tot maximaal (EUR
230.747 – EUR 10.373) = 219.737 door overgangsrecht wordt gerespecteerd en is
toegestaan.



In het kader van het
opstellen van de jaarstukken over 2021, zou de instelling graag willen weten of
zij de WNT correct heeft toegepast. Een spoedige reactie wordt daarom op prijs
gesteld.



Alvast bedankt voor uw
antwoord.


Titel: Re: Overgangsrecht bij vrijwillige verlaging bezoldiging
Bericht door: HelpdeskWNT op dinsdag 19 april 2022, 16:36:47

BZK geeft geen oordeel vooraf over casus, ook niet via het Forum. Evenmin
beantwoordt BZK specifieke vragen over casus. BZK geeft vooraf ook geen
goedkeuring aan eigen berekeningen. Uw vraag heeft betrekking op de toepassing
van het overgangsrecht WNT bij vrijwillige verlaging van de bezoldiging
gedurende de looptijd van het overgangsrecht. Wat dat onderwerp betreft,
hanteert BZK de volgende algemene wetsuitleg van de WNT.



In artikel 11a van de Beleidsregels WNT 2022 is het volgende vastgesteld in
geval van vrijwillige verlaging:



De slotzin van artikel 11a, eerste lid, Beleidsregels WNT 2022 luidt:
'Onder genoten bezoldiging als bedoeld in artikel 7.3, achtste lid, van de WNT
wordt in dit verband verstaan de in het jaar voorafgaand aan het eerste
afbouwjaar werkelijk genoten bezoldiging.' 



In artikel 7.3a WNT wordt verwezen naar artikel 7.3, achtste lid, WNT. In
artikel 7.3, achtste lid, WNT wordt alleen in de tweede volzin gesproken over genoten bezoldiging.
Deze tweede volzin bepaalt de berekeningswijze van de afbouw in het eerste
afbouwjaar. De verduidelijking in de slotzin van artikel 11a, eerste lid,
Beleidsregels WNT 2022 heeft derhalve uitsluitend betrekking op (in de zin van
het verduidelijken van) de bepaling met betrekking tot de berekening van de
bezoldiging in het eerste afbouwjaar. Dat blijkt ook uit de woordkeuze '...
voorafgaand aan het eerste afbouwjaar werkelijk genoten
bezoldiging'.



In artikel 11a, tweede lid, Beleidsregels WNT 2022 wordt vervolgens een
uitzondering gemaakt voor de inhoud van het begrip genoten bezoldiging
zoals bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Beleidsregels WNT 2022. Die
uitzondering ziet derhalve op de bepaling met betrekking tot de berekening van
de bezoldiging in het eerste afbouwjaar.



In artikel 11a, derde lid, Beleidsregels WNT 2022 wordt voor wat het
eerste afbouwjaar betreft een maximum aan het effect van het tweede lid van die
bepaling gesteld: er kan geen sprake zijn van stijging ten opzichte van de
werkelijk genoten bezoldiging in het laatste jaar van behoud.



In artikel 11a, vierde lid, Beleidsregels WNT 2022 wordt voor de afbouw
vanaf het tweede jaar van afbouw expliciet verduidelijkt dat de werkelijke
bezoldiging van het voorafgaande jaar startpunt van de berekening is, gelet op
artikel 7.3, achtste lid, WNT. Artikel 11a, tweede lid, Beleidsregels WNT 2022
heeft hier verder geen betrekking op.



Voor de afbouw in kalenderjaar 2021 moet derhalve worden uitgegaan van de
werkelijke bezoldiging in 2020. De berekening van de afbouw moet derhalve
worden gebaseerd op € 220.000 en niet op € 230.474. In 2021 moet de
bezoldiging derhalve worden teruggebracht met € 5.500 (zijnde de uitkomst
van 50 procent van het verschil tussen de bezoldiging 2020, zijnde € 220.000
en het bezoldigingsmaximum voor 2021, zijnde € 209.000). Dit komt erop
neer dat eind 2021 de bezoldiging moet zijn teruggebracht van € 220.000
naar € 214.500.



Op 1 januari 2022 moet de
bezoldiging zijn teruggebracht naar het op die datum geldende bezoldigingsmaximum
(€ 216.000). Indien de werkelijke bezoldiging in het laatste afbouwjaar
(2021) reeds op of onder dat maximum ligt (wat volgens onze berekening
hierboven het geval is of zou kunnen zijn), is verdere afbouw van de
bezoldiging in 2022 niet meer aan de orde.