Graag zou ik de volgende
vraag willen voorleggen ten aanzien van het overgangsrecht.
De topfunctionaris heeft
er twee keer vrijwillig voor gekozen om de bezoldiging extra te verlagen. De
eerste keer in 2015, als gevolg waarvan de topfunctionaris twee jaar eerder dan
wettelijk vereist op de WNT-1-norm kwam, en een tweede keer in 2020 waarbij
de bezoldiging tot EUR 220.000 is verlaagd.
De concrete vraag is nu
of bij een juiste toepassing van het overgangsrecht de maximale bezoldiging
voor 2021 EUR 219.737 bedraagt zoals hierboven is berekend.
De instelling gaat er
dus vanuit dat het bedrag dat op grond van ii) moet worden afgebouwd, in
mindering moet worden gebracht op het bedrag dat de topfunctionaris had mogen
verdienen in 2020, en dat derhalve voor 2021 een bezoldiging tot maximaal (EUR
230.747 – EUR 10.373) = 219.737 door overgangsrecht wordt gerespecteerd en is
toegestaan.
In het kader van het
opstellen van de jaarstukken over 2021, zou de instelling graag willen weten of
zij de WNT correct heeft toegepast. Een spoedige reactie wordt daarom op prijs
gesteld.
Alvast bedankt voor uw
antwoord.
BZK geeft geen oordeel vooraf over casus, ook niet via het Forum. Evenmin
beantwoordt BZK specifieke vragen over casus. BZK geeft vooraf ook geen
goedkeuring aan eigen berekeningen. Uw vraag heeft betrekking op de toepassing
van het overgangsrecht WNT bij vrijwillige verlaging van de bezoldiging
gedurende de looptijd van het overgangsrecht. Wat dat onderwerp betreft,
hanteert BZK de volgende algemene wetsuitleg van de WNT.
In artikel 11a van de Beleidsregels WNT 2022 is het volgende vastgesteld in
geval van vrijwillige verlaging:
De slotzin van artikel 11a, eerste lid, Beleidsregels WNT 2022 luidt:
'Onder genoten bezoldiging als bedoeld in artikel 7.3, achtste lid, van de WNT
wordt in dit verband verstaan de in het jaar voorafgaand aan het eerste
afbouwjaar werkelijk genoten bezoldiging.'
In artikel 7.3a WNT wordt verwezen naar artikel 7.3, achtste lid, WNT. In
artikel 7.3, achtste lid, WNT wordt alleen in de tweede volzin gesproken over genoten bezoldiging.
Deze tweede volzin bepaalt de berekeningswijze van de afbouw in het eerste
afbouwjaar. De verduidelijking in de slotzin van artikel 11a, eerste lid,
Beleidsregels WNT 2022 heeft derhalve uitsluitend betrekking op (in de zin van
het verduidelijken van) de bepaling met betrekking tot de berekening van de
bezoldiging in het eerste afbouwjaar. Dat blijkt ook uit de woordkeuze '...
voorafgaand aan het eerste afbouwjaar werkelijk genoten
bezoldiging'.
In artikel 11a, tweede lid, Beleidsregels WNT 2022 wordt vervolgens een
uitzondering gemaakt voor de inhoud van het begrip genoten bezoldiging
zoals bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Beleidsregels WNT 2022. Die
uitzondering ziet derhalve op de bepaling met betrekking tot de berekening van
de bezoldiging in het eerste afbouwjaar.
In artikel 11a, derde lid, Beleidsregels WNT 2022 wordt voor wat het
eerste afbouwjaar betreft een maximum aan het effect van het tweede lid van die
bepaling gesteld: er kan geen sprake zijn van stijging ten opzichte van de
werkelijk genoten bezoldiging in het laatste jaar van behoud.
In artikel 11a, vierde lid, Beleidsregels WNT 2022 wordt voor de afbouw
vanaf het tweede jaar van afbouw expliciet verduidelijkt dat de werkelijke
bezoldiging van het voorafgaande jaar startpunt van de berekening is, gelet op
artikel 7.3, achtste lid, WNT. Artikel 11a, tweede lid, Beleidsregels WNT 2022
heeft hier verder geen betrekking op.
Voor de afbouw in kalenderjaar 2021 moet derhalve worden uitgegaan van de
werkelijke bezoldiging in 2020. De berekening van de afbouw moet derhalve
worden gebaseerd op € 220.000 en niet op € 230.474. In 2021 moet de
bezoldiging derhalve worden teruggebracht met € 5.500 (zijnde de uitkomst
van 50 procent van het verschil tussen de bezoldiging 2020, zijnde € 220.000
en het bezoldigingsmaximum voor 2021, zijnde € 209.000). Dit komt erop
neer dat eind 2021 de bezoldiging moet zijn teruggebracht van € 220.000
naar € 214.500.