Op
grond van artikel 2.10 lid 3 van de Wet Normering Topinkomens (WNT) en artikel
4 lid 1 onderdeel d van de Uitvoeringsregeling WNT, wordt de bezoldiging over
een periode waarin de topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het
dienstverband geen taken meer vervult, aangemerkt als uitkering wegens
beëindiging van het dienstverband. Als met een topfunctionaris wordt
afgesproken, dat hij alle vakantiedagen die tot de einddatum van zijn
dienstverband zijn/worden opgebouwd opneemt en daarna wordt vrij gesteld van
werkzaamheden, hoe moeten de vakantiedagen die, vanaf het moment dat de
topfunctionaris verlof opneemt dan worden aangemerkt? Behoren die tot de
bezoldiging of tot de uitkering bij einde dienstverband? Voor de goede orde: de
vakantiedagen worden dus opgenomen voorafgaand aan de vrijstelling van werk en
niet uitgekeerd.
Voor
het geval het antwoord is, dat de nog op te bouwen verlofdagen vallen onder de
uitkering bij einde dienstverband en niet onder bezoldiging, nog de volgende
vraag:
In
artikel 2 lid 2 onder i van de Uitvoeringsregeling WNT is de (afkoopsom ten
aanzien van de) wettelijke vakantiedagen uitgezonderd van de bezoldiging (dus
alleen de –afkoop van de- bovenwettelijke vakantiedagen valt/vallen daaronder).
Geldt dat ook voor (wettelijke) vakantiedagen die worden opgebouwd over de
periode van vrijstelling ten opzichte van de vraag of die moeten worden mee
gerekend bij de uitkering bij einde dienstverband? Dit ook gelet op hetgeen is
bepaald in artikel 4 lid 2 van de Uitvoeringsregeling WNT: tot de uitkering bij
einde dienstverband wordt niet gerekend de uitkering die voortvloeit
uit een wettelijk voorschrift. De wettelijke vakantiedagen zijn een
wettelijk vastgelegd recht dat voortvloeit uit artikel 7:634 BW. Mijns inziens
tellen deze dus niet mee voor de uitkering bij einde dienstverband en moet
alleen gekeken worden naar de bovenwettelijke vakantiedagen. Kunt u mijn
zienswijze bevestigen?
Antwoord op vraag 1
Het voorafgaand aan de
beëindiging van het dienstverband opnemen van de resterende wettelijke en/of
bovenwettelijke vakantiedagen waarop de topfunctionaris aantoonbaar recht heeft
op grond van zijn of haar dienstbetrekking (arbeidsovereenkomst) wordt voor de
WNT niet aangemerkt als non-activiteit als bedoeld in artikel 2.10, derde lid,
WNT. Zie deze Q&A op onze website: https://www.topinkomens.nl/vraag-antwoord/vraag-en-antwoord/is-het-opnemen-van-vakantiedagen-voorafgaand-aan-het-einde-van-het-dienstverband-aan-te-merken-als-verboden-non-activiteit-in-de-zin-van-de-wnt. Voor vaststelling van het recht op vakantiedagen is bepalend
wat in de arbeidsovereenkomst in combinatie met de artikelen 634 en 635 van
Boek 7 BW is bepaald over de opbouw van vakantiedagen gedurende een periode
waarin betrokkene zijn of haar werkzaamheden niet verricht met dan wel zonder
behoud van het recht op loon. Het aantal resterende vakantiedagen dient te
worden aangetoond aan de hand van de vakantiedagenadministratie.
De bezoldiging die
wordt uitbetaald over de opgenomen vakantiedagen waarop betrokkene uit hoofde
van zijn of haar arbeidsovereenkomst recht heeft, wordt voor de WNT aangemerkt
als bezoldiging en niet als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband.
Zie ook artikel 10, tweede lid, onderdeel a, Beleidsregels WNT 2022. Echter,
voor zover partijen in het kader van de beëindiging van het dienstverband meer
vakantiedagen overeenkomen dan waarop de topfunctionaris op grond van zijn of
haar arbeidsovereenkomst formeel recht heeft, dan tellen die extra
vakantiedagen bij opname wel als non-activiteit als bedoeld in artikel 2.10,
derde lid, WNT en kwalificeert de bezoldiging over die opgenomen extra
vakantiedagen als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband op grond
van die wetsbepaling.
Antwoord op vraag 2