Forum uitvoering Wet normering topinkomens

Alle categorieen => Bezoldiging => Topic gestart door: chantaln op woensdag 04 juni 2025, 21:36:40

Titel: Toerekening uitbetaling vakantiegeld in non-activiteitsperiode
Bericht door: chantaln op woensdag 04 juni 2025, 21:36:40

Graag
leggen wij onderstaande vraag aan u voor.



Situatieschets



Een
topfunctionaris in dienstbetrekking is tot 1 maart 2024 werkzaam bij een WNT
instelling. Daarna is deze topfunctionaris van 1 maart 2024 tot 1 juni 2024
vrijgesteld van werkzaamheden. Tijdens deze non-activiteitsperiode is geen
uitzondering van toepassing waardoor de bezoldiging over deze
non-activiteitsperiode aangemerkt wordt als uitkering wegens beëindiging van
het dienstverband (tabel 2 van het Verantwoordingsmodel).



In
mei 2024 vindt de uitbetaling van het vakantiegeld plaats, dat is opgebouwd van
juni 2023 tot en met mei 2024.



Onderbouwing
vraag



Onze
vraag ziet specifiek op de toerekening van de uitbetaling van het vakantiegeld
in mei.



In
een vraag
en antwoord op het forum
is eerder aangegeven dat de afkoop van opgebouwde
vakantietoeslag bij einde dienstverband aangemerkt moet worden als reguliere
WNT bezoldiging. Hierbij wordt vervolgens nog opgemerkt dat de feitelijk
uitbetaalde vakantietoeslag aan het einde van het dienstverband, indien er
sprake was van een periode van vrijwillige non-activiteit, naar rato
toegerekend wordt aan die periode. Dit deel wordt, in tegenstelling tot de rest
van het uitbetaalde vakantiegeld, aangemerkt als uitkering wegens einde
dienstverband. Dit zou in casu betekenen dat de opbouw van het vakantiegeld in
de maanden maart, april en mei 2024 toegerekend wordt aan de uitkering wegens
beëindiging van het dienstverband en de opbouw over de overige maanden (juni
2023 tot en met februari 2024) toegerekend wordt aan die periodes.



Als
vakantiegeld uitbetaald wordt in een periode van non-activiteit is onze vraag
of de toerekening aan vorige periodes een keuze is of verplicht
is.



Op
basis van artikel 3, lid 1 Uitvoeringsregeling WNT wordt een component van de
bezoldiging toegerekend aan de bezoldiging van het kalenderjaar waarin deze
component in de salarisadministratie wordt verwerkt of, indien de component
niet in de salarisadministratie wordt opgenomen, in het jaar waarin de
component ten laste van het resultaat van de rechtspersoon of instelling komt.
Op basis van artikel 3, lid 2 Uitvoeringsregeling (de uitzondering op het
eerste lid) kan voor de toetsing aan het toepasselijk bezoldigingsmaximum, in
afwijking van het eerste lid, een component van de bezoldiging die betrekking
heeft op een eerder kalenderjaar dan waarin deze in de salarisadministratie
wordt verwerkt, onderscheidenlijk ten laste van het resultaat van de
rechtspersoon of instelling komt, toegerekend worden aan het kalenderjaar
waarop deze betrekking heeft.



In
artikel 4, eerste lid, onder d Uitvoeringsregeling WNT is opgenomen dat de
bezoldiging over een periode waarin de topfunctionaris
vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen taken meer vervult
toegerekend wordt aan de uitkering wegens beëindiging van het dienstverband. In
de
memorie van
toelichting
bij dit artikel staat beschreven dat door de toevoeging van
onderdeel d aan het eerste lid van artikel 4 is verduidelijkt dat bezoldiging
in een periode van non-activiteit
vooruitlopend op het einde van het
dienstverband voor topfunctionarissen tot de ontslaguitkering wordt gerekend.
Dit volgt uit de artikel 2.10, derde lid, en 3.7, derde lid, van de Wet
normering bezoldiging topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector
zoals die luiden sinds de Reparatiewet WNT.



Als
we artikel 3, eerste lid Uitvoeringsregeling WNT en de memorie van toelichting
op artikel 4, eerste lid, onderdeel d Uitvoeringsregeling WNT lezen zou de
uitbetaling van het vakantiegeld in mei 2024 ook in zijn geheel aan de
uitkering wegens beëindiging van het dienstverband mogen worden toegerekend.
Immers wordt het vakantiegeld in de periode van non-activiteit
uitbetaald. Hieronder hebben we twee standpunten opgenomen. Graag vernemen we
welk standpunt we kunnen hanteren.



Standpunt
1



Aangezien
de uitbetaling van vakantiegeld in mei 2024 plaatsvindt in een periode van
non-activiteit, mag deze in zijn geheel op basis van de
hoofdregel van artikel 3, eerste lid Uitvoeringsregeling WNT worden toegerekend
aan tabel 2 (uitkering wegens beëindiging van het dienstverband).



Toerekening
mag op basis van artikel 3, tweede lid van de Uitvoeringsregeling
WNT ook aan tabel 1a toegerekend worden voor de periode vóór het ingaan van de
(vrijwillige) non-activiteitsperiode.



Standpunt
2



Enkel
het deel van de opbouw dat ziet op de periode van non-activiteit moet
toegerekend worden aan tabel 2. Het restant moet worden
toegerekend aan tabel 1a, waarbij teruggerekend kan worden naar eerdere jaren
als het recht in een eerder jaar is ontstaan en voor zover hier ruimte is. Met
andere woorden er is geen keuze voor toerekening.



Graag
vernemen we welk standpunt in uw ogen juist is.

Vriendelijke groet,
Chantal
Titel: Re: Toerekening uitbetaling vakantiegeld in non-activiteitsperiode
Bericht door: HelpdeskWNT op dinsdag 10 juni 2025, 15:43:55
Artikel 2.10, derde lid, WNT en artikel 4, eerste lid, onderdeel d, Uitvoeringsregeling WNT spreken
van bezoldiging over, en niet van bezoldiging in, een periode van vrijwillige non-activiteit. De
wetgever heeft daarmee bedoeld dat uitbetaalde bedragen die zijn opgebouwd of gereserveerd in
die periode en die naar rato aan die periode kunnen worden toegerekend, tot de bezoldiging bij
vrijwillige non-activiteit behoren en voor de WNT als uitkering wegens beëindiging van het
dienstverband worden aangemerkt. Dus niet de volledige uitbetaalde vakantietoeslag maar alleen
het deel daarvan dat naar rato kan worden toegerekend aan de periode van vrijwillige non-activiteit, telt mee bij de uitkering wegens beëindiging van het dienstverband.

Artikel 2.10, derde lid, WNT is dwingend van aard en strekking: doorbetaling van bezoldiging over
een periode van vrijwillige non-activiteit voorafgaande aan de beëindiging van het dienstverband
moet worden aangemerkt als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband. Het dwingende
karakter van artikel 2.10, derde lid, WNT betekent ook dat de naar rato toerekening van in
kalendermaanden van vrijwillige non-activiteit opgebouwde of gereserveerde vakantietoeslag aan
de uitkering wegens beëindiging van het dienstverband moet worden toegepast.

Standpunt 2 is derhalve juist.