Datum beëindiging topfunctionaris

Gestart door NLa, zaterdag 13 maart 2021, 17:34:43

NLa

Casus: Een topfunctionaris
treedt uit dienst per 15 maart 2020. In de vaststellingstellingsovereenkomst is
overeengekomen dat de topfunctionaris met ingang van 1 januari 2020 niet
meer als bestuurder van de WNT-organisatie functioneert. Zowel materieel en
formeel als niet (ook uitschrijving bij de KvK). Deze functionaris is tevens in
de periode 1 januari 2020 tm 15 maart 2020 vrijgesteld van werkzaamheden onder
doorbetaling van de bezoldiging.



a) Aangezien de (voormalig) bestuurder geen
topfunctionaris meer is per 1 januari 2020 is opname in de WNT-verantwoording
2020 in de onderdelen 1a tm 1g niet van toepassing. Uiteraard worden de
vergelijkende cijfer uit 2019 wel opgenomen.

Deelt u deze mening ?





b) De ontvangen bezoldiging in de periode van
non-activiteit 1-1 tm 15-3 wordt verdisconteerd in de maximale beëindigingsvergoeding
van 75.000 EUR. Welke componenten van de bezoldiging in de periode 1-1 tm 15.-3
dienen te worden verdisconteerd in beëindigingsvergoeding in het kader van de
non-activiteit.

Met verdiscontering wordt bedoeld: Beëindigingsvergoeding plus bezoldiging non activiteitperiode
= 75.000 EUR.

Dienen naast het brutoloon, vakantiegeld en eindejaarsuitkering ook de beloningen betaald op termijn
(oftewel werkgeversdeel pensioenpremies) eveneens te worden verdisconteerd met
de beëindigingsvergoeding? Of kunnen deze componenten van de bezoldiging (verplicht
werkgeversdeel van de pensioenpremies) worden aangemerkt als uitkeringen die
rechtstreeks, dwingend en eenduidig voortvloeien uit een wettelijk voorschrift
en de collectieve arbeidsovereenkomst  en
zijn daarmee voor de WNT geen uitkeringen wegens beëindiging van het
dienstverband en worden derhalve niet door de WNT genormeerd. Deze hoeven ook
niet openbaar gemaakt te worden. Zie artikel 2.10, WNT.





c) De functionaris ontvangt bij uit diensttreding een
afrekening van niet genoten wettelijk opgebouwde vakantiedagen, die zijn
opgebouwd voor de non
activiteitsperiode. Deze dagen kunnen op basis van artikel 3, tweede lid, van
de Uitvoeringsregeling WNT worden teruggerekend c.q. toegekend aan 2019.

In 2019 is voldoende ''ruimte'' tussen bezoldiging en norm, waardoor dit niet
zal leiden tot een overschrijding van de WNT norm in 2010. Aangezien de
bestuurder met ingang van 1 januari 2020 geen topfunctionaris meer is, wordt dit
niet verantwoord in de WNT-opgave 2020.

Deelt u deze mening ?





d) Tot slot heeft de voormalige bestuurder in de
periode 1-1 tm 15-3 een volgens de CAO verplichte toelage gekregen. Is deze
volgens de CAO verplichte toelage een onderdeel van de componenten van de
non-activiteit bezoldiging en daarmee verplicht te verdisconteren met de
beëindigingsvergoeding ? Of wordt deze toelage aangemerkt als een



uitkering die rechtstreeks, dwingend en eenduidig
voortvloeit uit de  collectieve
arbeidsovereenkomst en is daarmee voor de WNT geen uitkering wegens beëindiging
van het dienstverband en wordt derhalve niet door de WNT genormeerd. Deze toelage
hoeft derhalve ook niet openbaar gemaakt te worden. Zie artikel 2.10, WNT.


HelpdeskWNT

Uw vraag houdt een verzoek om casusbeoordeling in. Aan
verzoeken om casusbeoordeling wordt niet voldaan en kan ook niet worden
voldaan. BZK beperkt zich op het forum tot het geven van wetsuitleg. Uit deze
wetsuitleg zou u de antwoorden op uw vragen moeten kunnen destilleren.





Op grond van artikel
2.10, eerste lid, WNT
mogen partijen geen uitkeringen overeenkomen wegens
beëindiging van het dienstverband, die gezamenlijk meer bedragen dan de som van
de beloning en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op
termijn over de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van het
dienstverband, tot ten hoogste € 75.000. In geval van een dienstverband met een
kleinere omvang dan het bij de verantwoordelijke gebruikelijk voltijdse
dienstverband bedragen de uitkeringen ten hoogste € 75.000, vermenigvuldigd met
het aantal uren waarop het dienstverband betrekking heeft en gedeeld door het
aantal uren van een voltijds dienstverband.



In artikel 2.10, derde lid, eerste volzin, WNT is
bepaald dat bezoldiging over een periode waarin de topfunctionaris
vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen taken meer vervult,
aangemerkt wordt als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband. Onder bezoldiging moet in dit verband worden
verstaan wat de WNT daar in de regel onder verstaat: de som van de beloning, de
belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en de beloningen betaalbaar
op termijn (zie ook artikel 1.1,
onderdeel e, WNT
). In tegenstelling tot wat is geregeld ten aanzien van de
uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband, gelden er geen uitzonderingen
op de door de WNT genormeerde bezoldiging ingeval van bezoldiging die
rechtstreeks, dwingend en eenduidig voortvloeit uit een algemene bepaling van
een cao.

De werkgeverspremies en –bijdragen voor beloningen
betaalbaar op termijn, waaronder pensioen, tellen dus mee, ook als ze gebaseerd
zijn op een cao, in de bezoldiging die op grond van artikel 2.10, derde lid, WNT aan de uitkering wegens beëindiging
van het dienstverband wordt toegerekend.



Hetzelfde geldt ook voor de (verplichte) toelage op grond
van de cao, voor zover deze tot de bezoldiging behoort en voor zover deze aan
de periode van non-activiteit kan of moet worden toegerekend. In artikel 2, eerste lid, onderdelen d, f, g
en h, Uitvoeringsregeling WNT
zijn voorbeelden opgenomen van toelagen of
met toelagen vergelijkbare componenten die tot de bezoldiging worden gerekend.
Bij gebrek aan informatie over aard en inhoud van die toelage, kunnen wij
daarover echter geen uitspraken doen.





De datum waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn
taken beëindigt, wordt op grond van artikel
2.10, derde lid, tweede volzin, WNT
aangemerkt als datum waarop het
dienstverband is geëindigd. Afgaande op de informatie in uw vraagstelling, zou
die datum in dit geval 31 december 2019 (kunnen) zijn.





Op grond van artikel
2.10, vierde lid, WNT
is artikel
2.10, derde lid, WNT
overigens niet van toepassing indien de
topfunctionaris, in de periode vooruitlopend op de beëindiging van het
dienstverband, geen taken meer vervult op grond van een algemene bepaling van
een collectieve arbeidsovereenkomst, een van toepassing zijnde collectieve
regeling die is overeengekomen met verenigingen van werknemers of ambtenaren
die bevoegd zijn afspraken te maken over arbeidsvoorwaarden, of een wettelijk
voorschrift.



Artikel 2.10, derde
lid, WNT
is evenmin van toepassing indien sprake is van:

  • a. een schorsing als ordemaatregel, hangende een onderzoek;
  • b. het opnemen van resterende vakantiedagen vóór de
    beëindiging van het dienstverband; of
  • c. onvrijwillige non-activiteit als bedoeld in artikel 10 Beleidsregels WNT 2021.

Uit uw vraagstelling blijkt niet dat deze uitzonderingen op artikel 2.10, derde lid, WNT aan de
orde (kunnen) zijn, maar volledigheidshalve vermelden wij deze toch.





De afkoopsom van niet-opgenomen vakantiedagen behoort, ook
ingeval deze wordt betaald bij beëindiging van het dienstverband, tot de
bezoldiging. Zie artikel 2, eerste lid,
onderdeel i, Uitvoeringsregeling WNT
. De aanspraak ofwel het recht op die
afkoopsom vloeit immers voort uit het dienstverband en niet uit de beëindiging
daarvan.





Betaling van bezoldiging uit hoofde van het dienstverband
met de topfunctionaris moet op grond van artikel
3, eerste lid, Uitvoeringsregeling WNT
worden toegerekend aan de
bezoldiging in het kalenderjaar waarin deze component in de
salarisadministratie wordt verwerkt of, indien de component niet in de
salarisadministratie wordt opgenomen, in het jaar waarin de component ten laste
van het resultaat van de rechtspersoon of instelling komt. Dit geldt op
dezelfde wijze voor nabetaling van bezoldiging uit hoofde van het (vroegere)
dienstverband met de topfunctionaris, ook nadat deze zijn of haar werkzaamheden
als topfunctionaris in het voorgaande boekjaar heeft beëindigd.





Voor zover er (uitgaande van uw vragen) in boekjaar 2020
sprake is van (na)betaling van bezoldiging aan uw topfunctionaris, zoals
bijvoorbeeld in uw geval de afkoopsom voor niet-opgenomen vakantiedagen en
(mogelijk) de toelage op grond van de cao, voor zover deze toelage niet op
grond van artikel 2.10, derde lid, WNT
toegerekend dient te worden aan de uitkering wegens beëindiging van het
dienstverband, dient deze in de WNT-verantwoording 2020 te worden opgenomen en
verantwoord.



Voor zover er in boekjaar 2020 geen sprake meer is van
functievervulling als topfunctionaris (of van het met toepassing van artikel 1.1, onderdeel b, sub 6°,
WNT
aangemerkt blijven als topfunctionaris), bedraagt het met toepassing
van artikel 2.1, tweede en derde lid,
WNT
bepaalde individueel toepasselijke bezoldigingsmaximum voor de
topfunctionaris in dat jaar nul (€ 0).





Op grond van artikel
3, tweede lid, Uitvoeringsregeling WNT
mag een component van de bezoldiging
die betrekking heeft op een eerder kalenderjaar dan waarin deze in de
salarisadministratie wordt verwerkt, onderscheidenlijk ten laste van het
resultaat van de rechtspersoon of instelling komt, voor de toetsing aan het
toepasselijk bezoldigingsmaximum, in afwijking van artikel 3, eerste lid, Uitvoeringsregeling WNT toegerekend worden
aan het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Langs deze weg kan de
eventuele overschrijding van het bezoldigingsmaximum in boekjaar 2020
toegestaan zijn. Dit mag echter alleen voor zover er in dat eerdere
kalenderjaar (in dit geval 2019) voldoende ruimte in de WNT-norm bestaat of
resteert. U beweert dat dit in uw geval aan de orde is voor zover het de afkoopsom
voor niet-opgenomen vakantiedagen betreft. Uiteraard kunnen wij dat niet
nagaan.



Uit uw vragen wordt niet
duidelijk of blijkt niet dat artikel 3,
tweede lid, Uitvoeringsregeling WNT
eventueel ook zou kunnen worden
toegepast op de betaling in boekjaar 2020 van de toelage op grond van de cao.
Dit zou aan de orde kunnen zijn voor zover de toelage over bijvoorbeeld een
kalenderjaar, per kalendermaand, is opgebouwd. Stel dat de betreffende toelage
deels is opgebouwd over kalendermaanden uit de periode voorafgaand aan de
periode van non-activiteit, dan zou uitsluitend het aan de maanden januari tot
en met maart 2020 toe te rekenen deel van deze toelage op grond van artikel 2.10, derde lid, WNT aan de
uitkering wegens beëindiging van het dienstverband dienen te worden
toegerekend, en vormt het overige deel bezoldiging die aan een eerder boekjaar
zou kunnen worden toegerekend. Voor zover artikel
3, tweede lid, Uitvoeringsregeling WNT
niet kan worden toegepast ten
aanzien van deze toelage, zou de betaling van deze toelage, als
bezoldigingscomponent, in boekjaar 2020, uitgaande van een individueel
toepasselijk bezoldigingsmaximum van € 0, een niet toegestane overschrijding
van dat maximum opleveren en alsdan als onverschuldigd betaald moeten worden
beschouwd. Dit geldt dus overigens alleen voor het deel van de toelage dat niet
aan de uitkering wegens beëindiging van het dienstverband moet worden
toegerekend op grond van artikel 2.10,
derde lid, WNT
.