Bezoldigingsmaximum in de afbouwperiode

Gestart door D_WNT, donderdag 15 april 2021, 14:33:34

D_WNT



Bezoldigingsmaximum in de afbouwperiode



Ik wil graag de volgende situatie en daarmee samenhangend
een aantal stellingen voorleggen.



Een bestuurder is voor 1 januari 2013 aangesteld en
geniet met ingang van 2013 een bezoldiging lager dam het WNT-1 maximum, maar
hoger dan het voor de instelling m.i.v. 2014 
geldende WNT-maximum. Vanaf 2014 valt de bestuurder onder het
overgangsrecht en zijn bezoldiging zal daarom gedurende de gedoogperiode gelijk
zijn aan de bezoldiging over 2014. Verder is afgesproken dat de bezoldiging zal
worden afgebouwd conform de wettelijke voorschriften. De daarbij behorende
bedragen worden eveneens vastgelegd. Met andere woorden, bij aanvang van het
overgangsrecht is vastgelegd dat de bezoldiging gedurende de gehele
overgangsperiode (gedoog- en afbouwperiode) gelijk zal zijn aan wat maximaal is
toegestaan uitgaande van de in 2014 genoten bezoldiging.  



In jaar 2 van de gedoogperiode wordt de leaseauto
vervangen door een leaseauto met een lagere fiscale bijtelling. Hierdoor daalt
de bezoldiging. Ingevolge de bezoldigingsafspraken dient deze daling te worden gecompenseerd.
Compensatie wordt echter om financiële redenen uitgesteld, maar er wordt nadrukkelijk
niet van afgezien. Sterker nog, jaarlijks bevestigen partijen de oorspronkelijk
bezoldigingsafspraken. In de jaarrekening wordt de feitelijke, dus een lagere
dan afgesproken, bezoldiging gepubliceerd. 



Omdat gedurende de gedoogperiode en de daaropvolgende
afbouwjaren compensatie is uitgebleven, bedraagt de feitelijk genoten
bezoldiging in het laatste gedoogjaar en de daaropvolgende afbouwjaren  minder dan de afgesproken bezoldiging. De
feitelijke genoten bezoldiging bedraagt ook minder dan de maximumbezoldiging
volgens WNT-2.  



Stellingen



Partijen besluiten alsnog tot nabetaling van de te weinig
ontvangen bezoldiging.



Stelling 1: uitgaande van de bezoldigingsafspraken en
artikel 3 Uitvoeringsregeling WNT is nabetaling met betrekking tot de
gedoogperiode in ieder geval mogelijk. Eens?



Zoals toegelicht hebben partijen ook concrete
bezoldigingsafspraken gemaakt met betrekking tot de afbouwperiode. De feitelijk
genoten bezoldiging in de afgelopen afbouwjaren bedraagt echter minder dan dat
wat is afgesproken. In principe mag de bezoldiging gedurende de afbouwperiode
niet worden verhoogd.



Stelling 2: een eventuele nabetaling betreft in de
onderhavige situatie als zodanig geen verhoging, maar het nakomen van
bezoldigingsafspraken. Derhalve is een eventuele nabetaling toegestaan. Eens?



De bezoldiging dient in de onderhavige situatie in drie
stappen te worden afgebouwd naar het bezoldigingsmaximum van WNT-1 en
vervolgens in twee stappen naar het bezoldigingsmaximum van WNT-2.  De genoten bezoldiging over het laatste
gedoogjaar vormt in principe de grondslag voor de berekening van het bezoldigingsmaximum
voor het eerste afbouwjaar (de regels m.b.t. vrijwillige verlaging blijven buiten
beschouwing). De bezoldiging over het laatste gedoogjaar bedraagt minder dan
afgesproken en ook minder dan het bezoldigingsmaximum van WNT-1.



Stelling 3: het bezoldigingsmaximum is gedurende de
eerste 3 afbouwjaren gelijk aan de feitelijk genoten bezoldiging in het laatste
gedoogjaar. Eens?



Stelling 4: voor de berekening van het bezoldigingsmaximum
in het eerste afbouwjaar mag worden uitgegaan van de feitelijk genoten
bezoldiging over het laatste gedoogjaar inclusief de nabetaling die op dat jaar
betrekking heeft. Immers de nabetaling volgt uit de bezoldigingsafspraken. Eens?



Stelling 5: gedurende de eerste drie jaren van de
afbouwperiode dient de bezoldiging te worden afgebouwd naar de bezoldiging van
WNT-1. Aangezien de in het laatste gedoogjaar genoten bezoldiging minder
bedraagt dan het bezoldigingsmaximum van WNT-1 en mede gezien de
bezoldigingsafspraken, mag de bezoldiging in ieder geval worden aangevuld tot
het bezoldigingsmaximum van WNT-1, omdat dit maximum het absolute
bezoldigingsmaximum betreft. Eens?



 




HelpdeskWNT

Uw
vragen komen grotendeels neer op een verzoek om casusbeoordeling. BZK gaat niet
in op verzoeken om casusbeoordeling. Wij
gaan daarom niet in op uw stellingen nrs. 3 en 5 betreffende de hoogte van de
toegestane bezoldiging waarop in deze casus recht bestaat in de behoud- en de
afbouwperiode en de bezoldiging waarnaar aan het einde van de afbouwperiode
moet zijn af­gebouwd in deze casus. Op het Forum uitvoering WNT maar ook
daarbuiten beperkt BZK zich tot het geven van (algemene) wetsuitleg. Wij
beperken ons daarbij tot uw stellingen nrs. 1, 2 en 4.





Op de
website topinkomens.nl is algemene informatie te vinden over de inhoud en
strekking van het WNT-overgangsrecht in de vorm van vraag-antwoordcombinaties,
afbouwschema's en een rekentool: https://www.topinkomens.nl/vraag-antwoord/veelgestelde-vragen-en-antwoorden/het-overgangsrecht" title="Link: https://www.topinkomens.nl/vraag-antwoord/veelgestelde-vragen-en-antwoorden/het-overgangsrecht">https://www.topinkomens.nl/vraag-antwoord/veelgestelde-vragen-en-antwoorden/het-overgangsrecht
en https://www.topinkomens.nl/vraag-antwoord/afbouwschemas-en-rekentool-overgangsrecht" title="Link: https://www.topinkomens.nl/vraag-antwoord/afbouwschemas-en-rekentool-overgangsrecht">https://www.topinkomens.nl/vraag-antwoord/afbouwschemas-en-rekentool-overgangsrecht.



Bestaande bezoldigingsafspraken boven het bij wet
vastgestelde bezoldigingsmaximum, worden gedurende een termijn van vier jaar na
inwerkingtreding van de WNT-1, van de WNT-2 of van de ministeriële regeling op
grond van artikel 2.6, eerste lid, 2.7, tweede lid, 2.8, 3.4, tweede lid, of
3.5 WNT (de behoudperiode) gerespecteerd. Daarna moet de bezoldiging in drie
jaar (de afbouwperiode) worden teruggebracht tot het tegen die tijd voor de
topfunctionaris geldende bezoldigings­maximum.



Uitgangspunt voor de verdere afbouw van de
bezoldiging tijdens de afbouwperiode van het over­gangsrecht is de werkelijke
bezoldiging in het voorgaande jaar, dat wil zeggen in het laatste behoudjaar;
aanspraken die niet ten gelde zijn gemaakt, worden daarbij niet meegenomen. Zie ook deze Q&A
op de website topinkomens.nl: https://www.topinkomens.nl/vraag-antwoord/vraag-en-antwoord/wat-is-het-startpunt-voor-de-afbouw-van-de-bezoldiging" title="Link: https://www.topinkomens.nl/vraag-antwoord/vraag-en-antwoord/wat-is-het-startpunt-voor-de-afbouw-van-de-bezoldiging">https://www.topinkomens.nl/vraag-antwoord/vraag-en-antwoord/wat-is-het-startpunt-voor-de-afbouw-van-de-bezoldiging.



Deze werkelijke bezoldiging is, op basis
van de (letterlijke) tekst van
artikel 11a, eerste lid, Beleidsregels WNT 2021 in combinatie met artikel 7.3,
achtste lid, WNT de bezoldiging die daad­werkelijk is uitbetaald in het laatste
behoudjaar (en die in de jaarrekening is opgenomen). Dit kan niet anders worden
gelezen dan als de bezoldiging inclusief
nabetalingen betreffende eerdere kalenderjaren (onder voorwaarden
waarop hieronder nader wordt ingegaan) die in het laatste behoudjaar zijn
betaald. In genoemde bepalingen wordt geen
uitzondering
gemaakt voor nabetalingen (betreffende eerdere
kalenderjaren) van bezoldiging in het laatste behoudjaar. Het verantwoorden in
het jaar van uitbetaling is ook in overeenstemming met artikel 3, eerste lid,
Uitvoeringsregeling WNT. Bij of krachtens de WNT is niet geregeld dat die
bepaling niet geldt tijdens (de afbouwperiode van) het overgangsrecht.



In de afbouwperiode van het overgangsrecht
is verdere verhoging van de bezoldiging niet toegestaan, voor zover de
werkelijke bezoldiging in de afbouwperiode hoger is dan het bezoldigingsmaximum
waarnaar moet worden afgebouwd op grond van artikel 7.3, achtste lid, WNT.
Echter, nabetaling van bezoldiging betreffende eerdere kalenderjaren kan, onder
voorwaarden, ook in de afbouwperiode nog zijn toegestaan. Het moet dan wel gaan
om nabetalingen waarop in het uitbetalingsjaar ook daadwerkelijk
arbeidsrechtelijk en op grond van de WNT recht bestond en die ook daadwerkelijk
op het eerdere jaar betrekking heeft (d.w.z. dat het recht of de aanspraak
daarop in dat eerdere jaar moet zijn ontstaan en nadien niet is verjaard of
vervallen). Of daarvan in uw casus sprake is, kunnen wij niet beoordelen en
beoordelen wij ook niet in het kader van de beantwoording van deze forumvraag.

Verder moet er in het eerdere
jaar waaraan de nabetaling wordt toegerekend (op grond van artikel 3, tweede
lid, Uitvoeringsregeling WNT) voldoende ruimte in de WNT-norm zijn. Door die
toerekening gaat de nabetaling niet tot de werkelijke bezoldiging van dat
eerdere jaar behoren.