periode van non-activiteit

Gestart door eja.nieuwenhuis, dinsdag 17 februari 2026, 21:44:32

eja.nieuwenhuis

Beste leden van het WNT-forum,
 
Tijdens het opstellen van de WNT verantwoording heb ik een vraag over de interpretatie van artikel 2.10 van de WNT en paragraaf 4 artikel 10 beleidsregels WNT 2025 (lex specialis). Het gaat over wanneer de periode van non-activiteit volgens de WNT exact ingaat casu quo start. 
In de vaststellingsovereenkomst (VSO) is met de topfunctionaris vrijwillig overeengekomen dat de datum van non-activiteit op [dag] [maand] 2026 ingaat {A} en dat het dienstverband verder doorloopt tot en met [dag] [maand] 2026 {B}. Het opgebouwde
verlof (vakantiedagen*) wordt volledig opgenomen voordat de formele vrijwillige non-activiteitsperiode start op de overeengekomen datum [dag] [maand] 2026 {A} in de VSO. In de VSO is ook
overeengekomen dat op of voor [dag] [maand] 2025 {C}  de topfunctionaris al zijn eigendommen van de werkgever inlevert en dat vóór die datum de opvolger is ingewerkt en dat de topfunctionaris geen nieuwe of andere functie krijgt.
De opvolger van de topfunctionaris start exact op datum {C} zoals in de arbeidsovereenkomst is overeengekomen.
 
Op de website topinkomens wordt de volgende vraag gesteld: "Is het opnemen van vakantiedagen voorafgaand aan het einde van het dienstverband aan te merken als verboden non-activiteit in de zin van de WNT?"
Het antwoord hierop is: "Nee, het is mogelijk het dienstverband te laten eindigen nadat alle vakantiedagen zijn opgemaakt. Dit zijn verlofdagen die zijn opgebouwd terwijl de functionaris zijn taken uitoefende. Hetzelfde geldt voor het opnemen van gespaarde vakantie- of compensatiedagen (spaarverlof), voor zover dat opnemen niet leidt tot correctie van de omvang van het dienstverband (zie artikel 7, vijfde lid, onderdeel b, Beleidsregels WNT 2026)." Bron
 
De topfunctionaris heeft op datum {C} voldoende reguliere vakantiedagen * (opgebouwd/gespaard/gekocht) tijdens het uitoefenen van deze functie als topfunctionaris opgebouwd om ongeveer 6 maanden met verlof te kunnen. Vanaf datum {C} worden ook weer
nieuwe vakantiedagen/verlofuren opgebouwd en door toevoeging van deze nieuwe vakantiedagen/verlofuren kan de periode van verlof verlengd worden tot en met datum [dag] [maand] 2026 {D}.
 
De vraag is op welke wijze artikel 2.10 en paragraaf 4 artikel 10 toegepast moet worden waarop de periode van non-activiteit ingaat?
Begint de periode van (vrijwillige) non-activiteit op datum {A} zoals in de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen?
of
Begint de periode van (vrijwillige) non-activiteit op datum {C} wanneer de verlofperiode begint zoals in de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen?
of
Begint de periode van (vrijwillige) non-activiteit op datum {D} wanneer de verlofperiode inclusief toevoeging van nieuwe vakantiedagen is afgelopen?
 
Indien de periode van non-activiteit op datum {A}, {C} of {D} begint, tellen de vakantiedagen/verlofuren in deze periode dan volledig mee als beëindigingsvergoeding?
 
Alvast bedankt voor het antwoord.

HelpdeskWNT

#1
De Helpdesk WNT van het ministerie van BZK geeft hieronder antwoord op uw vraag in de vorm van algemene wetsuitleg. Wij geven geen casusbeoordelingen af of toestemming (impliciet of expliciet) voor bezoldigingsafspraken of WNT-verantwoordingen. Het is aan de rechtspersoon of instelling om te beoordelen of de WNT van toepassing is, daaronder begrepen de hoogte van de bezoldigingsnorm en de wijze van verantwoording.
 
In artikel 2.10, derde lid, WNT is bepaald dat voor de toepassing van deze wet bezoldiging over een periode waarin de topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen taken meer vervult, wordt aangemerkt als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband en de datum waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt wordt aangemerkt als datum waarop het dienstverband is geëindigd.
 
Artikel 2.10, derde lid, WNT betreft de zogenaamde vrijwillige non-activiteit vóór beëindiging van het dienstverband. De wetgever heeft daarmee een wijze van ontwijking of ontduiking van het maximum van de uitkering wegens beëindiging van het dienstverband willen voorkomen. In de beleidsregels is een aantal uitzonderingen benoemd waarin de non-activiteit niet als vrijwillig maar als onvrijwillig wordt of kan worden beschouwd en waarin de bezoldiging over de periode van non-activiteit voor de WNT wordt aangemerkt als bezoldiging en niet als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband. Gelet op de vraagstelling zal artikel 10, eerste lid, Beleidsregels WNT 2026 niet aan de orde zijn (non-activiteit in de onderzoeks- en onderhandelingsfase vóór een besluit wordt of is genomen over wel of niet beëindigen van het dienstverband).
 
In artikel 10, tweede lid, Beleidsregels WNT 2026 (dat ziet op de periode vanaf het moment dat het besluit is genomen tot beëindiging van het dienstverband) is verduidelijkt dat bezoldiging over een periode waarin de topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen taken meer vervult als bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de wet niet wordt aangemerkt als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband maar als bezoldiging, voor zover in die periode aantoonbaar sprake is van:
a. het opnemen van vakantie- of compensatiedagen die gedurende het dienstverband zijn opgebouwd, of het opnemen van gespaard vakantie- en compensatieverlof (spaarverlof) waarop artikel 7, vijfde lid, onderdeel b, van toepassing is;
b. een schorsing als ordemaatregel;
c. een vrijstelling of ontheffing van de verplichting tot het verrichten van de functie of van andere werkzaamheden gedurende de in artikel 672, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde termijn van opzegging, indien deze vrijstelling of ontheffing rechtstreeks, dwingend en eenduidig voortvloeit uit een algemene bepaling van een collectieve arbeidsovereenkomst of van een van toepassing zijnde collectieve regeling die is overeengekomen met verenigingen van werknemers of ambtenaren die bevoegd zijn afspraken te maken over arbeidsvoorwaarden, of uit een wettelijk voorschrift; of
d. de verplichting tot doorbetaling van bezoldiging wegens ziekte of langdurige (gehele of gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid, voor zover die verplichting en de doorbetaling rechtstreeks, dwingend en eenduidig voortvloeien uit een wettelijk voorschrift.
 
Gelet op de vraagstelling zou de uitzondering van onderdeel a van het tweede lid aan de orde kunnen zijn (het opnemen van vakantie- of compensatiedagen die gedurende het dienstverband zijn opgebouwd, of het opnemen van gespaard vakantie- en compensatieverlof (spaarverlof) waarop artikel 7, vijfde lid, onderdeel b, Beleidsregels WNT 2026 van toepassing is). Het opnemen van vakantie- of compensatiedagen die gedurende het dienstverband zijn opgebouwd (inclusief opbouw gedurende de periode van non-activiteit) wordt voor de WNT beschouwd als onvrijwillige non-activiteit en de over die dagen uitbetaalde bezoldiging kwalificeert voor de WNT als bezoldiging.
 
De regel van artikel 2.10, derde lid, WNT gaat dus in op de eerste dag waarop de bezoldiging wordt doorbetaald terwijl de topfunctionaris geen taken meer verricht én er ook geen sprake (meer) is van het van toepassing zijn van een uitzondering als bedoeld in artikel 10 Beleidsregels WNT 2026 zoals het genieten van vakantie- of compensatieverlof dat gedurende het dienstverband is opgebouwd.
 
Voor de toepassing van artikel 2.10, derde lid, WNT is het voor de WNT-verantwoording toegestaan om dagen waarop sprake is van onvrijwillige non-activiteit als hiervoor bedoeld af te trekken van de totale periode van non-activiteit en vervolgens vanaf de formele/officiële datum van beëindiging van het dienstverband (ontslagdatum) terug te rekenen naar de eerste dag van de vrijwillige non-activiteit. Dit mag ook ingeval de werkelijke, feitelijke volgorde van de tijdvakken van vrijwillige en onvrijwillige non-activiteit daarvan afwijkt.