Een
bestuurder is uit dienst getreden. Bij in dienst treding van de bestuurder in
2014 – was de WNT reeds van kracht. Als gevolg van de jaarlijkse uitbetaling
van het vakantiegeld in mei, is in het jaar van uit dienst treden sprake van
een overschrijding van het bezoldigingsmaximum.
In
de uitvoeringsregeling WNT artikel 3.2 is opgenomen dat componenten aan een
boekjaar kunnen toegerekend worden indien deze in
enig jaar ten laste van het resultaat van de rechtspersoon of instelling komt.
Op
basis van het bepaalde in de
uitvoeringsregeling hebben wij de volgende vragen:
Hieronder geven wij algemene wetsuitleg over de
toepassing van artikel 3, tweede lid, Uitvoeringsregeling WNT in relatie tot
het door een WNT-instelling uitbetaalde vakantiegeld. Wij houden daarbij de
volgorde van de door u gestelde vragen aan. Omdat de vragen 1 en 2 met elkaar
samenhangen, beantwoorden wij die tezamen.
Ad 1 en 2.
De hoofdregel voor toerekening van een bezoldigingscomponent
aan een kalenderjaar is vastgelegd in artikel 3, eerste lid,
Uitvoeringsregeling WNT: "Een component van de bezoldiging wordt toegerekend
aan de bezoldiging van het kalenderjaar waarin deze component in de
salarisadministratie wordt verwerkt of, indien de component niet in de
salarisadministratie wordt opgenomen, in het jaar waarin de component ten laste
van het resultaat van de rechtspersoon of instelling komt."
Hierop is de volgende uitzondering geformuleerd in
artikel 3, tweede lid, Uitvoeringsregeling WNT: "Voor de toetsing aan het
toepasselijk bezoldigingsmaximum kan, in afwijking van het eerste lid, een
component van de bezoldiging die betrekking heeft op een eerder kalenderjaar
dan waarin deze in de salarisadministratie wordt verwerkt, onderscheidenlijk
ten laste van het resultaat van de rechtspersoon of instelling komt,
toegerekend worden aan het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft." Deze
bepaling is van toepassing indien sprake is van uitbetaling van een
bezoldigingscomponent in een later kalenderjaar dan het kalenderjaar waarin
deze is opgebouwd.
Een gebruikelijk en veel voorkomend voorbeeld daarvan
is het vakantiegeld dat in de kalendermaanden juni tot en met december van kalenderjaar
T-1 is opgebouwd en in de kalendermaand mei van kalenderjaar T wordt
uitbetaald. Daarbij maakt het voor de toepassing van deze bepaling niet uit of het
moment van uitbetaling van het vakantiegeld in de arbeidsovereenkomst of de ambtelijke
aanstelling is vastgelegd of niet. Een dergelijk vereiste staat niet in de
tekst van deze bepaling en vloeit daar ook niet uit voort. Ook als het moment
van uitbetaling niet in de arbeidsovereenkomst of de ambtelijke aanstelling is
vastgelegd maar er feitelijk sprake is (al dan niet op basis van een gegroeide
praktijk) van uitbetaling van het vakantiegeld in een later kalenderjaar, kan
artikel 3, tweede lid, Uitvoeringsregeling WNT worden toegepast. Het gaat
derhalve niet (uitsluitend) om het in de arbeidsovereenkomst vastgelegde
betalingsmoment maar (ook) om het moment waarop de betaling feitelijk heeft
plaatsgevonden en welke praktijk er op dat vlak bestaat of is gegroeid in de
arbeidsrelatie tussen de WNT-instelling en de topfunctionaris.
Het antwoord op de vragen 1 en 2 is derhalve
hetzelfde: ja, dat is toegestaan voor zover er:
Ad 3.
Zoals hiervoor vermeld bij het antwoord op uw
vragen 1 en 2, is toepassing van artikel 3, tweede lid, Uitvoeringsregeling WNT
onder meer toegestaan voor zover er in het eerdere kalenderjaar waaraan wordt
toegerekend nog voldoende ruimte resteert in de toepasselijke WNT-norm om de
overschrijding uit een later kalenderjaar daarbinnen "op te vangen". Uw vraag 3
betreft, als wij het goed samenvatten, wat in dit verband verstaan moet worden
onder "de toepasselijke WNT-norm".
Het is onder de noemer van wetsuitleg niet
mogelijk om daarop een algemeen geldend antwoord te geven. Het antwoord hangt
namelijk af van de feiten en omstandigheden van het geval. Wij leggen dit
hieronder nader uit:
Dit betekent dat indien een topfunctionaris bijvoorbeeld
op grond van overgangsrecht (artikel 7.3 of 7.3a WNT of artikel 7
Uitvoeringsbesluit WNT) in het betreffende kalenderjaar of de betreffende
kalenderjaren recht heeft op een hoger toegestane bezoldiging dan het algemene
bezoldigingsmaximum dan wel een hoger of lager bezoldigingsmaximum op grond van
artikel 2.5, 2.6, 2.7 of 3.4 WNT, die hoger toegestane bezoldiging (voor de
duur van het overgangsrecht) in dat geval het vertrekpunt vormt voor "de
toepasselijke WNT-norm" voor de toepassing van artikel 3, tweede lid,
Uitvoeringsregeling WNT. We spreken hier bewust op "vertrekpunt", want voor de
toets aan het individueel toepasselijk bezoldigingsmaximum moet ook in dit
geval worden gecorrigeerd voor de (werkelijke) duur en/of omvang van het
dienstverband.
Vertaald naar uw vraag 3 houdt dit in dat er
alleen sprake kan zijn van de mogelijkheid van toerekening van in een later
jaar uitbetaald vakantiegeld aan kalenderjaar 2015, 2016, 2017 of 2018 voor
zover er in deze jaren nog voldoende ruimte resteert in de toepasselijke
WNT-norm (in dit geval: het individueel toepasselijk bezoldigingsmaximum op
basis van de hoger toegestane bezoldiging op grond van het overgangsrecht WNT).
Dit moet via de op grond van artikel 3, tweede lid, Uitvoeringsregeling WNT
toegestane methode van cascadegewijs toerekenen (ofwel, zoals u het omschrijft,
"doorcascaderen") per kalenderjaar worden nagegaan.